Post-impressionistisch meesterschap
Diederik Kraaijpoel
In januari 2008 kreeg ik spit en kon nauwelijks bewegen. Jan
van Loon maakte van de gelegenheid gebruik om mijn portret te
schilderen. Hij deed er anderhalf uur over, in uiterste concentratie.
Het resultaat hangt bij mij thuis. Iedereen vindt het een mooi
schilderij, dat goed lijkt. Ik moedig de bezoeker aan om van dichtbij
de bril te bekijken. En jawel, die is inderdaad verbazingwekkend.
Het dunne metalen montuur is geschilderd met een kwast die
vier keer zo dik is. Het glas wordt weergegeven door een paar nog
bredere blauwe toetsen: de weerspiegeling van daglicht dat langs
een blauwachtig luik van links binnenvalt. Je zou kunnen spreken
van abstractie, in de zin van een af- of uittreksel van de natuur. Van
dichtbij ziet het verfoppervlak er uit als een abstract bouwsel van
vlekken. Toch is de indruk onmiskenbaar dat hier iemand zit met
een ijle lichtgewicht bril op zijn neus.
Wat is dit nu voor stijl? Jan van Loon behoort tot een groep schilders
die aangeduid worden met de term Noordelijke Realisten, omdat ze
in drie noordelijke provincies van Nederland zo niet geboren, dan
toch getogen zijn. Maar als je naar de behandeling van die bril kijkt,
wat is dan realisme? In elk geval niet een letterlijke nabootsing van
wat je ziet. Het heeft wel iets te maken met waarneming. Jan keek
mij borend aan tijdens het werk. Intussen vertaalde hij mijn kop in
iets anders: verf.
Wij ontmoeten hier het principe dat enkele rake toetsen voldoende
zijn om de werkelijkheid te suggereren. Het oog van de beschouwer
maakt de voorstelling dan af. Dit principe is al tweeduizend jaar
oud: reeds op wandschilderingen te Pompeji en Herculaneum zijn
bomen, gebouwen, mensen en dieren te zien die niet zijn uitgewerkt,
doch luchtig aangeduid met toetsen, streepjes, stippen en vlekken.
In de zeventiende en achttiende eeuw maakten Velazquez, Hals,
Goya en anderen er ruim gebruik van en in 1873 is er zelfs een apart
woord voor bedacht: impressionisme. Sindsdien is het niet meer uit
de kunst verdwenen.

Jan van Loon heeft zijn stijl dus niet zelf uitgevonden, hij leunt op
een traditie. Dat vinden wij nu heel gewoon, maar toen hij jong
was, in de jaren zestig, werd daar moeilijk over gedaan. Traditie
was toen een vies woord. Men was algemeen van mening dat de
kunstenaar zijn stijl vanaf een nieuw nulpunt uit het niets moest
scheppen. Deze ideologie heeft aanleiding gegeven tot het ontstaan
van onnoemelijk veel slechte kunstwerken, waar de depots van de
musea en de zolders van de collectioneurs nu nog vol mee staan.
De losgezongen toets van het impressionisme heeft een aangeboren
neiging om steeds losser te worden, dat wil zeggen steeds abstracter.
In het latere werk van Monet en Cézanne komen passages voor die
niet meer echt leesbaar zijn; de kijker denkt: dit zal wel vegetatie
wezen, maar aar zeker is dat niet. Dit stadium gaat vaak samen met
verheviging van de kleur en vereenvoudiging van de vorm, en wordt
wel post-impressionisme genoemd; fauvisten en expressionisten
vallen eronder en het kan leiden tot volledige abstractie.
Volledige abstractie betekent volledig platte schilderijen, omdat elke
illusie van plastiek en ruimte verdwenen is. Jan is daar dicht bij in
de buurt gekomen. In het schilderij Rotswand (1968) zijn de kleur en de structuur geïnspireerd op de natuur, maar die wand heeft
geen dikte: hij valt samen met het verfoppervlak. Je kunt het werk
zien als een vlakke decoratie. Lelijk is het niet, en je zou je kunnen
voorstellen dat een schilder in die richting verder gaat. Velen
hebben dat gedaan, maar in Jan's geval blijkt het een voorbijgaand
experiment. Een paar jaar later maakt hij het vergelijkbare werk
Montserrat, en zie: hier loopt de wand weliswaar evenwijdig
aan het schildervlak, maar valt daar niet mee samen. Daardoor is
het schilderij niet echt plat meer. Er zijn welvingen, gaten, geulen
die het gesteente plastisch en tastbaar maken. We voelen dat we
slechts een deel zien van een grotere rotsformatie, die buiten het
schilderij verder gaat.
Wat zich hier aankondigt, blijkt het eigenlijke onderwerp van zijn
werk te worden: ruimte. Na 1974 is het definitief afgelopen met het
platte schildervlak. In de kleine studie van de achtertuin in Zwiggelte
is in een notendop het oeuvre te zien zoals wij dat kennen. We zien
een onbegrensde ruimte met bomen erin. Veel kleur is er niet; we
moeten het doen met twee elementen: perspectief en licht-donker.
Perspectief kennen wij uit de constructies van Brunelleschi, maar
die zijn in dit geval niet nodig: je ziet dat de bomen in de verte
kleiner zijn dan die op de voorgrond. Dat is voldoende, want zo
gebeurt het ook in het oog: een paal die twee keer zo ver van je af
staat als een andere paal, komt twee keer zo klein op je netvlies.
Verder is daar het licht-donker, dat in eerste instantie te maken heeft
met het droevige winterweer, maar daarnaast een functie vervult in
de zogenoemde atmosferische perspectief: de voorste boom is het
donkerste, verder weg worden de vormen steeds meer opgenomen
in het gesluierde licht. Dit is wat we noemen de tonale samenhang
van het schilderij.

Dat licht-donker stamt uit de barokkunst en blijkt een onmisbaar
ingrediënt geworden van alle streven om ruimte te suggereren
op een plat vlak. Wanneer je alle kleuren even sterk maakt, blijft
het schilderij plat. De kunstgeschiedenisboeken scheppen hier gemeenlijk verwarring. Ze houden vol dat de impressionisten
afrekenden met het clair-obscur van voorgaande generaties. Dat
is zichtbaar onjuist. Binnen de lichte en heldere kleuren van een
impressionistisch schilderij berust de ruimtelijke werking wel
degelijk op licht en donker; alleen is het donker niet meer bruin,
zoals bij de academische voorgangers, maar vertoont groene of
blauwe of paarse tinten. Ook bij de zeer opgevoerde kleuren van
Bonnard en zelfs bij menige compositie van Matisse valt het tonale
verband vast te stellen.
In het werk van Jan van Loon neemt de tonaliteit de eerste plaats
in, maar soms valt dat niet op. In het recente schilderij Wad (2008)
lijkt alles vervuld van licht, maar in feite zien wij subtiele gradaties.
De relatief donkere voorgrond leidt de blik naar de zonverlichte
passage rechts achter. De witten in de wolken en de golven zijn
ook licht, maar omdat ze niet zo geel zijn als de zonneplek lijken
ze toch secundair: geel is dominant ten opzichte van wit. Deze
kleurgradaties steunen de illusie dat we ons buiten in de oneindige
ruimte bevinden. Daarkomt nog iets bij: het handschrift. De wolken
zijn met de brede kwast geschilderd, het water en de wadbodem met
iets kleinere maat, maar overal is de directe toets duidelijk zichtbaar.
Dit veroorzaakt de illusie van beweging.
De natuur staat niet stil. Fotografeer je haar, dan bevriest ze; maar
als je haar met de juiste snelheid schildert, leeft ze. Het moet
snel: een langzame, bedachtzame toets werkt averechts. Tijdens
het schilderen verandert het weer en het licht en voor een groot
deel werkt de schilder uit de herinnering van hoe het daarnet nog
was. Zo'n schilderij kan in een paar uur klaar zijn. Jan zelf heeft
daar soms morele bedenkingen tegen. Vanwege zijn christelijke
opvoeding denkt hij dat hij er eigenlijk langdurig op zou moeten
zwoegen, 'in het zweet zijns aanschijns'. De schilder heeft echter
niet alles in eigen hand: eenmaal begonnen, eist het schilderij zijn
eigen wetmatigheid en drijft hem voort.
Uit museumbezoek en veilingprijzen blijkt dat bij het kunstpubliek
het (post-)impressionisme nog altijd het meeste succes ces heeft. Hoe
komt dat? Ten eerste is daar de dichtbijheid van het onderwerp:
allemaal stukjes dagelijks leven, zoals we die uit eigen ervaring
kennen. De authenticiteit van ditwerk berustop de onmiddellijkheid
van de observatie: ik stond erbij en ik keek ernaar.
Ten tweede is daar het handschrift. De directheid van de toets maakt
dat de kijker ziet hoe het gemaakt is. Hij voelt in zijn eigen vingers
hoe de kwaststreek is neergezet. Dat die streek dan bovendien
enorm raak is, schept vreugde. Het is of je luistert naar een pianist
die onvergelijkbaar veel beter speelt dan jijzelf. Zo komt het,
denk ik, dat voor de meeste kunstliefhebbers het impressionisme
de schilderkunst par excellence is. Jan citeert Giacometti, die
heeft gezegd: 'Vandaag de dag zien alle schilders, wanneer ze een
landschap willen schilderen, het met de ogen van een impressionist.
Dat is de laatste picturale visie op de uiterlijke wereld die ertoe
doet.' En, mogen wee er er wel bij zeggen, het is de enige visie die niet
verouderd is. We weten natuurlijk best dat zorgvuldig, bedachtzaam
geschilderd werk, van Vermeer bijvoorbeeld, grote kunst kan zijn.
Maar het staat verder van de kijker af; de directe vonk springt niet
over. Het spontane handschrift is voor de meesten van ons het
echte' schilderen.

Het landschap is voor de eerste generatie impressionisten het
belangrijkste onderwerp geweest. De lateren nemen ook stilleven,
interieurs, portretten op hun programma. Jan van Loon is in alle
genres thuis. Nu en dan overvalt hem het gevoel dat dit alles niet
genoeg is, dat kunst toch een gedachte of een verhaal nodig heeft.
Er zijn werken die hij niet naar de waarneming heeft gemaakt, niet
maar't leven, maar uyt den Geest, zoals ze dat in de zeventiende eeuw
zo mooi konden zeggen. Doeken als Waar zijn wij? of De
Dromers (zie Quasi-realisme), van anderhalf bij twee meter, zijn natuurlijk niet
aan het strand bij mist en regen geschilderd, maar thuis bij de kachel.
Maar wat zien wij? Er is geen enkel verschil met zijn overige werk.
Het lijkt alsof Jan de dolende personen rechtstreeks van het netvlies
heeft overgenomen. Als je maar lang genoeg naar de werkelijkheid
hebt gekeken, kun je haar ook uit je fantasie halen.
Iets in één klap raak schilderen, dat vereist meesterschap. Er bestaat
geen naïef of stuntelig impressionisme. Je moet er inzicht en talent
voor hebben, maar zelfs dan nog komt het je niet aanwaaien. Er is
studie en ervaring voor nodig. Om een bril weer te kunnen geven
in vlekken, moet je vroeger wel eens een bril constructief hebben
getekend. De impressionisten waren geschoold op ateliers van
realistische voorgangers. Breitner ging, toen hij al jaren in het vak zat,
toch nog lessen nemen op de Rijksacademie om wat bij te spijkeren.
Jan van Loon leerde het vak op de opleiding tekenleraren; dat was
in die dagen nog een redelijk geducht stukje kunstonderwijs. Zulke
stukjes zijn zeldzaam geworden, en zo komt het dat er vandaag
de dag nog maar betrekkelijk weinig schilders zijn die het postimpressionistische idioom beheersen. In Nederland wordt de laatste
veertig jaar in Groningen het meest aan natuurstudie gedaan. Jan
van Loon is een van degenen die deze kennis doorgeven.